Boek: Opdat zij niet vergeten worden.

Wie de noodzaak van de plaatsing van"struikelstenen" in Oss wilt begrijpen moet het onderstaande verhaal lezen over de lotgevallen van de Ossenaren in de 2e wereldoorlog. Een aangrijpend verhaal over onze joodse medeburgers.
Verhaal komt uit het boekje "Opdat zij niet vergeten worden" van G. Hes (Guus) en J. Bader (Jan).


OPDAT ZIJ NIET VERGETEN WORDEN

Het op voorgaand blad afgebeelde monument, voorstellende een verdreven gezin, zou representatief kunnen zijn voor het lot van de joodse gemeenschap in vele plaatsen van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In vele gemeenten was de verdrijving van de joodse gezinnen door de Duitse overheersing het enige gebeuren van groot leed. Zo ook in Oss, waar vele joden leefden, eeuwen geïntegreerd als goede burgers in een goede stad.

Naast dit gedenkteken is in Oss nog aanwezig een klein monument, meer specifiek herinnerend aan de vervolging van de joden in Oss. Dit is gesitueerd op de joodse begraafplaats, gelegen aan de Oude Hescheweg, een plaats waar velen hadden willen rusten, gekomen aan het einde van hun dagen, als hun dat gegund was.

Die velen hebben als naamlozen, na vernedering, na marteling, deze wereld verlaten, betreurd door de weinige overgeblevenen.

"Opdat zij niet vergeten worden", om hen aan de vergetelheid te onttrekken, zijn de namen van de ongelukkigen verzameld en gebundeld, om hen als mensen, die onder ons hebben geleefd, de toekomende eer te geven, een laatste eer.

Volgens een opgave van de gemeente Oss aan de Duitse autoriteiten waren in de maand juni 1942 - 364 personen, als "Jood" gekwalificeerd, aanwezig. In deze opgave kwamen naast, wat de overheerser noemde "Volljuden", gemengd gehuwden en gedoopte joden voor. Daarnaast overledenen en personen welke Oss reeds geruime tijd verlaten hadden. Van de gemengd gehuwden (gezinnen) overleefde het merendeel de oorlogsperiode en waren in 1945 bij de bevrijding nog aanwezig. Enkele gezinnen vertrokken uit Oss, een enkeling emigreerde en de rest . . .

77 personen 'doken onder', waarvan 7 alsnog werden gedeporteerd.

252 personen werden gedeporteerd, waarvan 6 mensen de concentratiekampen overleefden en in Oss terugkeerden.

Van de 246 personen (252 — 6) worden hierna de namen aan u voorgelegd. Deze namen staan per straat genoemd op deze site.


`Opdat zij niet vergeten worden'

Bij verschillende gelegenheden werd door de Duitse autoriteiten officieel verklaard, dat Brabant " Judenrein"  was.

Dit was ook het geval, nu 50 jaar geleden (tijdens het schrijven van het boek) , in april 1943, na de grote deportatie vanuit de provincies, en in juni 1944 toen het laatste transport vanuit Vught rechtstreeks naar Auschwitz vertrok.

In Oss deed zich het uiterst bijzondere feit voor, dat zich tot in augustus 1944 nog meer dan 20 joden bevonden. 19 Personen werden in deze maand door de Duitsers opgepakt en met het laatste transport vanuit Westerbork op 3 september 1944, enkele dagen voor de luchtlandingen in deze omgeving, naar Auschwitz gedeporteerd.



HOE ZUUR WAS AZIJN . . . ?
("Was kann an Essig sauer werden?")

Is het wel waar dat er in de oorlog in Oss weinig is gebeurd? Zeker, op het eerste gezicht, vergeleken met andere Brabantse steden en dorpen is er ogenschijnlijk weinig voorgevallen 1). Het verlies aan mensenlevens door oorlogsgeweld en verzetsdaden bleef beperkt tot nauwelijks meer dan een tiental slachtoffers en de schade aan have en goed bleef gering. Natuurlijk waren er de ontberingen, de schaarste en de distributie waaronder de burgerbevolking te lijden had. Onderdrukking en vrijheidsbeperking, de angst en onzekerheid die hiervan het gevolg waren, maakten het leven van alledag vaak tot een beproeving. Maar dit gold voor de gehele bevolking in bezet Nederland. In de officiële geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog is Oss nauwelijks terug te vinden. Of het moeten de gebeurtenissen zijn uit 1938 die als de 'zaak Oss' in de Nederlandse politiek nog lang zouden nazinderen 2). Tot zover geen  
bijzonderheden. Oss zou de oorlog niet zo slecht doorgekomen zijn. Maar was de werkelijkheid niet anders? Is er een leemte in het geheugen van de stad?


Lijst van gebouwen en andere overheidsterreinen die verboden waren voor Joden
Van oudsher bestond in Oss een kleine joodse gemeente. Maar door succesvol ondernemerschap, een degelijke geestelijke leiding en onderlinge saamhorigheid groeide deze hechte gemeenschap, in weerwil van de crisisjaren, uit tot een relatief grote joodse gemeente.
Al spoedig na het begin van de bezetting werden de eerste anti joodse verordeningen uitgevaardigd 3). Stap voor stap volgden schijnbaar geruisloos, maar efficiënt en steeds ingrijpender, alle maatregelen om de Osse joden te registreren, uit te sluiten, te isoleren en uiteindelijk te deporteren.


verboden: bioscoop, bibliotheek, gemeente museum en parken

In april 1943 waren ze bijna allemaal weggevoerd, naar Vught of Westerbork, als tussenstations voor een treinreis naar de dood, drie dagen later, ergens in Oost-Europa. In een van die bizarre oorden: Auschwitz, Sobibor . . .
Doch twee jaar na het begin van de deportaties in augustus 1942 en vele maanden nadat de provincie Noord-Brabant medio april 1943 Juden-rein' werd geacht verbleven er in de stad nog steeds officieel 29 joodse inwoners. Vormden zij een vergeten groep? En hoe konden zij schijnbaar onopgemerkt en ongestoord in Oss achterblijven?


In het begin
Wat ging hieraan vooraf? Per 30 juni 1942 telde Oss een joodse bevolking van 364 personen 4). Deze bijna perfecte registratie maakte het de Duitsers en hun handlangers mogelijk om heel nauwgezet maatregelen te nemen tegen personen en groepen en het vervolgingsapparaat in werking te stellen. Op 20 juli 1942 verstrekte de gemeente Oss aan het Gewestelijk Arbeidsbureau in Den Bosch een lijst van 25 mannen in de leeftijdscategorie 40-60 jaar. Na enige dagen werden zij opgeroepen om dwangarbeid te gaan verrichten in de Nederlandse werkkampen in Drenthe en Overijssel. Een deel van deze mannen was al langdurig werkloos doordat zij al in 1941 als werknemers bij de fabrieken van Zwanenberg en
Hartog waren ontslagen? Door deze economische uit schakeling werden velen overgeleverd aan een armoedig bestaan.


Eerste deportaties


Op een mooie warme zomerdag, op vrijdag 28 augustus 1942, begonnen overal in de provincie Noord-Brabant de deportaties van grote groepen joden. 6) 7) Nauwelijks een dag eerder hebben zij van de plaatselijke politie of de Gewestelijke Arbeidsbureaus een oproep ontvangen om zich op genoemde datum op een aangewezen plaats te verzamelen. Door de inspanningen van de functionarissen van de afdelingen van de Joodse Raad kon in sommige plaatsen het aantal mensen dat opgeroepen werd voor tewerkstelling in Polen' worden beperkt. Maar tegen de avond werden grote groepen joden uit Breda, Tilburg, Eindhoven en Oss per bus of trein, begeleid door politie en marechaussee, overgebracht naar Den Bosch. Tot dusver waren hierbij nauwelijks Duitsers betrokken. In Den Bosch werden zij door de Nederlandse politie overgedragen aan de Sicherheitsdienst. Zij werden bijeengedreven in een nabij het station gelegen gymlokaal van een school, dat door de Duitsers was gevorderd, om aldaar de nacht door te brengen.8) De volgende dag werden 275 personen vanuit Den Bosch, onder bewaking van Duitse soldaten, overgebracht naar het kamp Westerbork.9) Maar voor velen zou het verblijf in dit verlaten oord in Drenthe van korte duur zijn. Op 31 augustus vertrok volgens dienstregeling de wekelijkse trein naar Auschwitz. Met dit transport vertrokken 550 mensen waaronder een deel van de Brabantse joden. Bij aankomst in Auschwitz werden bijna alle vrouwen en kinderen, zonder enige vertraging of oponthoud, vermoord in de gaskamers. Een week eerder speelden en wandelden velen nog nietsvermoedend door de straten van Oss. Maar wreed en meedogenloos werden de maatregelen die hun vernietiging beoogden, doorgevoerd. Voor de Osse joden, jong en oud, werden in de plannen voor de 'Endliisung der Judenfrage' geen uitzondering gemaakt. En dit was nog maar het begin.
In de eigen Duits gezinde bladen werd stemming gemaakt.



Herfst 1942
Op 2 oktober 1942, uitgerekend op de joodse feestdag Simchat Tora (Vreugde der Wet) en uitgerekend weer op een vrijdag, werd opnieuw, vanuit Brabant, een aantal joden weggevoerd. Uit Oss vertrokken enige tientallen personen. Hieronder waren vooral vrouwen en kinderen van de mannen die al in juli naar de werkkampen waren overgebracht. In het tegenover het station gelegen Hotel Luijk werden zij verzameld en stapten daarna onder bewaking van een detachement Duitse militairen in een aantal bussen, die hen naar Den Bosch zou brengen. Evenals op 28 augustus hadden de Duitsers wederom het autobusbedrijf van de B.B.A. hiervoor ingeschakeld. De hieraan verbonden kosten bedroegen respectievelijk in augustus f 120,30 en in oktober f 180,- en werden betaald door de gemeente Oss. Later konden deze voorschotten worden gedeclareerd bij de Zentralstelle für jüdische Auswanderung te Amsterdam.

Miriam Kober uit de Doelenstraat 19
is een van de vele kinderen die uit
Oss werden afgevoerd.
De Duitsers hadden de vrouwen en kinderen een hereniging met hun echtgenoot en vader in Westerbork in het vooruitzicht gesteld, om hen daarna in gezinsverband naar Polen te kunnen deporteren. Maar zo deze belofte al werd nagekomen, de gezinshereniging was van korte duur. Onophoudelijk en opnieuw vertrokken er treinen, goederenwagons volgepakt met mensen, enkele reis naar een onbekende bestemming ergens in Oost Europa. Na enkele dagen keerden de treinwagons leeg terug...
Alsof het een routine-zaak betrof werd op 12 november 1942 opnieuw uit de provincie Noord-Brabant een groot aantal mensen overgebracht naar Westerbork.10)

Maar hoe verging het de achterblijvers? Alom ontstond het besef dat de definitieve ondergang van de gemeenschap onafwendbaar was en iedereen, vroeg of laat, gedwongen zou worden te vertrekken en alles achter te laten. Aanvankelijk waanden velen zich veilig, in de beslotenheid van de eigen gemeenschap, beschut en beschermd door het Nederlandse volk en zijn traditie van vrijheid en tolerantie. Maar hoelang kon deze illusie standhouden? Steeds onheilspellender waren de berichten, steeds onzekerder werd de nabije toekomst. Telkens was er de zenuwslopende vraag: wie staat er op de lijst voor de volgende deportatie? En wanneer zal deze plaatsvinden? Dit waren de bange vragen die het dagelijks leven gingen beheersen. Vooral onder hen die niet de relatieve bescherming genoten van een functie, al dan niet gecreëerd, soms zelfs gefingeerd, bij de Israëlitische gemeente of de plaatselijke afdeling van de Joodse Raad, ontstond grote onrust. Soms gaf een stempel op een officieel document enig uitstel en was de houder ervan "bis auf weiteres', nog een week, nog een maand, "gesperrt".
Er bestond vanaf einde 1942 geen enkele illusie meer dat de Duitsers de zieken, invaliden en ouden van dagen zouden ontzien. Op 28 november 1942 stuurde de Beauftragte für die Provinz Nord-Brabant, gevestigd in Haus Roucouleur te Vught in opdracht van de Reichscommissar für die besetzten niederländischen Gebiete een brief aan alle burgemeesters in de provincie. "Alle in Krankenhäusern, Altersheimen und sonstigen Anstalten untergebrachten Juden sollen allerschnellstens erfast werden" (sic) Hij wenste uiterlijk op 15 december een opgave te ontvangen van alle joden die in stedelijke, gemeentelijke, kerkelijke en privéinrichtingen, ziekenhuizen en verpleeghuizen verbleven.
Na de eerste deportaties in augustus en oktober 1942 was er een groep mensen overgebleven, waarvan er een aantal tot de 'sociale gevallen' werd. Het betrof hier mensen die eenzaam waren achtergebleven, nadat hun huisgenoten waren gedeporteerd. Zij werden ondergebracht in de dokterswoning van de Osse huisarts Frank aan de Spoorlaan. Vooral dokter Margarith Danby, de opvolgster van dokter Frank, heeft zich hun lot aangetrokken. In dit 'rusthuis' genaamd huize 'Hannah' waren in november - december 1942 al meerdere mensen ondergebracht. Al spoedig werd er tevens een dependance van dit rusthuis ingericht in het grote huis van Isaac Elsbach in de Monsterstraat. Doordat het aantal mensen dat verzorging nodig had steeds groter werd konden tevens enkele jongere mensen, als pseudo- verpleegster of broeder, tewerkgesteld worden en waren daardoor voorlopig gevrijwaard voor deportatie.
Elke verandering van woon- of verblijfplaats, ook van tijdelijke aard, was in principe verboden. Alleen bij uitzondering, zoals in geval van ziekte, was dit geoorloofd mits de gemeentepolitie hiervan in kennis werd gesteld. Deze instantie, die immers op gezag van de Duitsers op elk gewenst moment ingeschakeld moest kunnen worden bij de deportaties, moest van dag tot dag op de hoogte gehouden worden van de verblijfplaats van de getroffenen. Er mochten geen mazen in het net zijn.


Onderduiken?

Over het algemeen waren de Nederlandse joden zeer gezagsgetrouw en wars van elk revolutionair verzet of illegale daad.11) Zo was men opgevoed, zo was men onderwezen. Dit gold in sterke mate ook voor de Osse joden. Jacob Goldsmid, al meer dan 40 jaar voorzanger en onderwijzer bij de Nederlands Israelitische Gemeente Oss, was na de Bossche opperrabbijn Salomon Heertjes de hoogste religieuze autoriteit in de provincie. Onder zijn bezielende leiding ontstond in Oss een bloeiende gemeenschap, die velen bond aan het traditionele jodendom. Hij stond bij nagenoeg iedereen in hoog aanzien. Zijn mening werd door zijn volgelingen gerespecteerd, voor hen was zijn woord wet. Maar het idee om onder te duiken vormde voor hem en voor die genen wiens geestelijk leidsman hij was, een zodanige psychologische barrière dat daaraan niet te denken viel. Daardoor waren er maar weinigen die het lot in eigen hand namen en pogingen deden om voor de bezetter te verdwijnen, vooropgesteld dat de gelegenheid daarvoor aanwezig was. De anderen werden, naarmate de situatie beroerder werd, steeds meer overvallen door gevoelens van doffe berusting en defaitisme. Wat zich aan hen voltrok was een onheilspellend noodlot waarmee de joodse geschiedenis zo vaak doortrokken is.


Er waren maar weinigen die onderdoken. Maar het waren vooral diegenen die zich minder gebonden voelden door Tora en tradities, die probeerden een veilige schuilplaats te vinden. Maar hoe simpel klinkt dit. Er waren talloze problemen op te lossen. Wie was te vertrouwen en aan wie kon men zijn kinderen toevertrouwen? Een praktisch probleem was de financiering, want uitzonderingen daargelaten, gebeurde dit niet belangeloos. En overigens gold, in Oss evenals elders, dat de vraag groter was dan het aanbod. Maar een klein deel van de bevolking was bereid om de soms wanhopige mensen uit de joodse gemeenschap de helpende hand te bieden. Tot dan toe hadden de hartverscheurende taferelen bij de deportaties geen grote beroering gewekt.


Hoe was de houding van de niet-joodse bevolking geweest? Kort gezegd: ze stonden erbij, keken er naar, zwijgend, niet begrijpend, en gingen over tot de orde van de dag. Maar dat was niets bijzonders. Dat gebeurde in Oss maar overal elders. Uiteraard waren er uitzonderingen. Een hoogstaand man als burgemeester de Bourbon van Oss, ging op 2 oktober 1942 met zijn joodse stadsgenoten naar Den Bosch om alsnog te proberen hun lot te verzachten en mogelijk voor enkelen een vrijstelling van deportatie te verkrijgen. Maar hoegenaamd tevergeefs.




April 1943
De Duitse plannen om vanaf april 1943 Nederland Joden vrij te maken.
Omstreeks 5 februari 1943 begonnen geruchten te circuleren dat 'de definitieve ontruiming van de provincie', d.w.z. de totale verwijdering van de joden uit Noord-Brabant, op handen was.12) Op een vergadering van de hoofden van de afdelingen van de Joodse Raad op 19 maart 1943 in Den Bosch werd dit vermoeden bevestigd. Maar nog niemand was ook maar enigszins op de hoogte van het tijdstip waarop dit zou plaatsvinden. Het bange wachten was begonnen. Men werd wreed met de realiteit geconfronteerd toen op 29-30 maart in de dagbladen een 'beschikking' verscheen waarin de 'ontruiming van de provincie Noord-Brabant werd gelast'.13) Deze publicatie werd gevolgd door een instructie van de waarnemend gewestelijk politiepresident N.J. van Leeuwen aan de plaatselijke hoofden van politie, veelal de burgemeesters van de Brabantse steden. In opdracht van de `Aussenstelleleiter der Sicherheits polizei und des SD' in Den Bosch dienden de hoofden van politie hun personeel voor te bereiden op de komende gebeurtenissen:14)
"In verband met de beschikking van den Commissaris Generaal voor de Openbare Veiligheid, betreffende de verwijdering van Joden uit de provincies, verzoek ik U, Uw onderhebbende Politieinstanties als volgt te instrueren:
1. Tot uiterlijk 10 april 1943, 12 uur, moeten alle gezonde en valide joden zich naar het Kamp Vught, alle anderen zich naar het Kamp Westerbork begeven.
2.Voor hun vertrek moeten de Joden zich afmelden bij den Politiegezagsdrager hunner woonplaats en hun huissleutel (van een naamkaartje voorzien) bij dezen inleveren. Bij hun afmelding behoort aan betrokkenen de reisvergunning en een in de Duitsche taal gestelde verklaring van den navolgenden inhoud te worden verstrekt: "Der Jude hat sich am ordnungsgemeiss abgemeldet und ist angewiesen worden, sich bis zum 10.April 1943, 12 Uhr, zum Lager in Marsch zu setzen. Diese Bescheinigung ist beim betreten des Lagers abzugeben.
Unterschrift ....................."
3. Van eventueel voortvluchtige Joden moet de opsporing onmiddellijk ter hand worden genomen. Hierbij wordt aan personen, die aanwijzingen verstrekken, die tot opsporing van ondergedoken Joden leiden, een belooning in uitzicht gesteld, waarvan het bedrag van geval tot geval, door de Sicherheitspolizei in Den Bosch wordt bepaald. Deze belooning wordt ook aan Nederlandsche Politieambtenaren uitbetaald. Ariërs, die Joden verborgen houden, wordt straffeloosheid gewaarborgd, indien een familielid de Joden bij de Politie aangeeft. Ook in andere gevallen kan onder bepaalde omstandigheden van een bestraffing der arische begunstigers worden afgezien.
4. Het is te verwachten, dat veel Joden uit het heele land zullen probeeren de Belgische grens illegaal te overschrijden. In verband hiermede wordt voor degenen, die de illegale grensoverschrijding van een Jood verhindert of een hem ter kennis gekomen grensoverschrijding meldt, zoodat de in overtreding zijnde Joden kunnen worden gearresteerd, de sub.3 in uitzicht gestelde belooning verdubbeld. De uitbetaling hiervan geschiedt ook aan Nederlandsche Politieambtenaren."



Laatste fase
Er brak voor de nog in Oss aanwezige joden een turbulente tijd aan nu er een collectieve deportatie ophanden was. Koortsachtig werd gezocht naar mogelijkheden om alsnog een uitweg, door onderduik of anderszins, te vinden. Er waren nog slechts enkele functionarissen van de Joodse Raad aanwezig. In deze laatste fase werden zij geconfronteerd met het dilemma: Moeten ook de bejaarde en zieke oude mensen op transport worden gesteld naar Westerbork. Zowel Guus Hes als Margarith Danby, de laatste representanten van de plaatselijke Joodse Raad, waren van mening dat zij zich tot het uiterste tegen deze wrede en onmenselijke behandeling dienden te verzetten. Een andere schrijnende vraag was of het grote gezin van Hugo Hes, man, vrouw en 7 kinderen in de leeftijd tussen 7 maanden en 12 jaar, wel in aanmerking dienden te komen voor 'tewerkstelling in Polen'? Hoe kon erger worden voorkomen? "Was kann an Essig sauer werden?", merkte men onderling weleens cynisch op.15) Konden de omstandigheden nog slechter worden en de situatie nog uitzichtlozer zijn? In een vermetele poging om te redden wat er nog te redden was, kreeg Margarith Danby, huisarts te Oss, een geniale ingeving. In het besef dat de Duitsers zeer beducht waren voor besmettelijke ziekten, werd op het huis van Hugo Hes een plakkaat aangebracht dat in grote letters waarschuwde voor 'Roodvonk' ofwel Scharlach'. Dit zou voorlopig de Duitsers op een afstand kunnen houden.


Op 5 april gaf Dr. Danby een medische verklaring af waarin zij mededeelde dat de 12jarige Mia Hes roodvonk had, thuis geïsoleerd verpleegd werd, maar dat het gevaar van besmetting en meerdere ziektegevallen aanwezig was. Deze verklaring, opgesteld in het Duits en Nederlands, heeft de Sicherheitsdienst kunnen overtuigen van de risico's en daardoor kon Guus Hes op 9 april aan het hoofd van de gemeentepolitie mededelen dat het gezin Hugo D. Hes zich voorlopig niet naar Vught of Westerbork kon begeven.


Ouden en zieken
Daarmee was het probleem van de oudjes nog niet opgelost. Maar toch konden voor hen enige regelingen worden getroffen. Een aantal van hen werd ondergebracht in het grote huis van Isaac Elsbach in de Monsterstraat. Enkele anderen wensten in hun huis te blijven en aldaar af te wachten wat er zou gaan gebeuren. Door de medewerking van een kleine kring vertrouwelingen bij de plaatselijke overheid en gezondheidsdiensten kon een regeling worden getroffen waardoor zij, althans voorlopig op medisch advies, na 10 april in Oss konden achterblijven. Maar zij konden niet aan hun lot worden overgelaten en daarom werden er vier jonge vrouwen bereid gevonden die de verzorging en verpleging van deze oude mensen op zich wilden nemen. Daarnaast kon tevens aan Rachel de Rooij, 75 jaar en echtgenote van Isaac Elsbach en aan Johanna Geisel, 55 jaar, een verzorgende taak worden toebedeeld opdat ook zij voorlopig in Oss konden blijven.
Een van de laatste werkzaamheden van Guus Hes als vertegenwoordiger van de Joodse Raad was het verstrekken van de vereiste papieren aan deze 6 verzorgsters. In deze verklaringen werd vermeld welke taak zij op zich hadden genomen. Maar wat zouden deze verklaringen waard zijn als binnen afzienbare tijd de plaatselijke Joodse Raad geliquideerd zou zijn? Maar tegen alle verwachtingen werd aan een beperkt aantal personen door de Sicherheitsdienst in Den Bosch een Schein' verstrekt waardoor hun aanwezigheid na de 10e april 1943 werd gelegaliseerd. De twee overgebleven leden van de Joodse Raad kregen een verlenging van een maand (tot 10 mei) om de lopende zaken af te wikkelen. Maar de verzorgsters kregen een verklaring voor onbeperkte duur, dat wil zeggen: zij kregen toestemming om `sich bis Beëndigung ihrer Aufgabe (Pflegung) in der Provinz Noord-Brabant, ort Oss aufzuhffiten'. Het welzijn van de patiënten die aan hun zorgen waren toevertrouwd vormde als het ware hun 'levensverzekering', want als deze mensen zouden komen te overlijden zouden zij onvermijdelijk alsnog op transport gesteld worden.
Zeer kort nadat hij deze laatste regelingen nog had kunnen treffen moest Guus Hes met zijn vrouw en dochtertje onderduiken. Bij een huiszoeking in zijn woning waren onderduikers, enige naaste familieleden die hij onderdak had verschaft, aangetroffen en dit maakte een langer verblijf in Oss onmogelijk. Ook dokter Danby achtte het kort daarna raadzaam om tijdig spoorloos te verdwijnen. Zij had wegens haar werkzaamheden voor de Joodse Raad enig respijt gekregen.
Uittocht
Ondanks dat men erin geslaagd was om voor 19 mensen een medische verklaring te bemachtigen opdat zij in Oss konden blijven en niet geschikt werden geacht om vervoerd te worden, moesten toch op 9 april 17 mensen, ouderen en invaliden, per trein naar Westerbork worden overgebracht. Nog groter was het aantal dat dezelfde tocht moest ondernemen vanuit de andere provincieplaatsen. Sommige van deze oudjes hadden hun gehele leven in Oss, of in andere dorpen en steden in Brabant gewoond. En soms hun familie al vele generaties lang. Maar nu kwam daar abrupt en onverwacht een einde aan. Op de lange en vermoeiende treinreis naar Westerbork werden zij vergezeld door onder meer de dames Hes (Oss) en de Winter (Den Bosch). Voor hun lichamelijk welzijn was dokter Salomon Diamant uit Den Bosch meegegaan. In Den Bosch, Oss en verder in Arnhem werden ouderen en zieken naar deze trein gebracht. De voorlopige eindbestemming was Westerbork.
Op 10 april 1943 begon de trieste uittocht van de laatste Osse joden. Ongeveer 80 mannen, vrouwen en kinderen werden op deze droevige dag verzameld, sommigen werden uit hun huizen gehaald, om daarna op een aantal vrachtwagens naar het kamp Vught  officieel geheten Judendurchgangslager Herzogenbusch  overgebracht te worden.
Met hen vertrok ook Jacob Goldsmid. Hij zou zijn mensen niet in de steek laten. Hij ging met hen mee op hun bange tocht16), waarheen deze ook zou voeren. Wie heeft hem zien vertrekken, de oude kleine gazzan Goldsmid, weggevoerd uit zijn Oss door rijzige Germanen van het Herrenvolk?


In de eerste weken en maanden na de deportatie van april 1943 werden er door de achterblijvers regelmatig, voor zover de mogelijkheden daartoe aanwezig waren, pakjes met levensmiddelen, toiletartikelen e.d., verstuurd naar verwanten en dierbaren die waren vertrokken naar Vught en Westerbork. Een enkele maal werd van hen nog een levensteken ontvangen maar al spoedig in het geheel niet meer.
Met de grootste precisie hield de Osse bevolkingsadministratie de stand bij. Op 10 april telde de lijst van 'Personen van Joodsche bloede thans verblijvende te Oss' nog 29 personen.17) Opmerkelijk is dat hier gesproken wordt over `verblijvende te Oss' en niet van 'wonende te Oss'. Een verblijf in Oss dat nog maar van een beperkte toegestane duur zou zijn? Was ook de schamele rest al afgeschreven?
Van deze 29 personen beschikten er 23 over een medische indicatie.18) Hiertoe behoorden de tien personen in het huis van Hugo Hes op de Heuvel, bestaande uit man, vrouw en 7 jonge kinderen en de inwonende schoonvader, de 82jarige Leman Parfumeur. In het huis van Isaac Elsbach in de Monsterstraat waren 5 oudere en zieke mensen ingetrokken waar onder Selma Gutman, Esther Silverenberg, Hermine Weinberg, Bertha LeviticusWoudstra en Ida Hirnheimer. De jonge vrouwen die tot taak hadden om deze mensen te verzorgen waren Rosina Fresco, 18 jaar en de enige jaren oudere Bertha Zilverberg. De andere verzorgsters waren Sophie Toncman en Roosje Hes. Op het ogenblik dat duidelijk werd dat de oude mevrouw Toncman in Oss kon achterblijven ontstond er bij de nog aanwezige leden van het gezin Toncman de vraag wie van de kinderen er achter zou blijven om voor moeder te zorgen. Na enig beraad werd eenstemmig gekozen voor Sophie. Zij zou haar zieke moeder thuis in de Kruisstraat gaan verplegen. Tenslotte werd aan Roosje Hes de verzorging van de oude Louis (Levie) Oppenheimer toevertrouwd.
Geen van deze meisjes was opgeleid voor een verzorgend beroep. Toch hebben zij deze verantwoordelijke en moeilijke taken op zich genomen en naar beste kunnen hun zorg en aandacht aan deze kwetsbare mensen gegeven. Op een leeftijd waarop het leven geheel andere perspectieven zou moeten bieden waren deze meisjes veroordeeld tot een gevaarlijk bestaan en een uiterst onzeker toekomst. En wie is daartegen bestand?
Om hun rol en hun positie tegenover de buitenwereld te accentueren hadden deze `surrogaat  verpleegsters' zichzelf een bijbehorend uniform aangemeten, hoofdzakelijk bestaande uit een wit gesteven schort. Zij hoopten hierdoor op erkenning van hun status door de omgeving, maar op de eerste plaats dachten zij aan de bescherming die dit uniform hen zou bieden.


Maar er was wel de verplichting om onder alle omstandigheden de gele Davidster te blijven dragen. Een van hen had deze ster heel handig op karton geplakt zodat zij op elk gewenst ogenblik deze onderscheiding kon wegmoffelen. Door hun werkzaamheden waren de verzorgsters met hun witte uniform en de `jodenster' een vertrouwd dagelijks beeld in Oss. Bijna iedereen kende hen en zij kenden nagenoeg iedereen. Over het algemeen wist men ook wat men aan elkaar had, maar vooral wie te vertrouwen was en wie niet. En daarom was het soms raadzaam om even de ster te verbergen. Want natuurlijk waren er ook in Oss politieagenten en NSB-ers, al dan niet om den brode, die men liever op straat niet tegenkwam. De ongewenste confrontatie met iemand die een gele Davidster droeg zou kunnen worden beschouwd als een provocatie met alle gevolgen van dien. Het was zaak om niet te veel op te vallen.
Maar toch was de angst niet allesoverheersend; er waren weliswaar spannende ogenblikken, maar over het algemeen voelden ze zich betrekkelijk veilig. Het was immers moeilijk voor te stellen dat in Oss, in de eigen vertrouwde omgeving, het gevaar dagelijks op de loer zou liggen.
In de oorlog werd iedereen geacht als legitimatiebewijs een zg. persoonsbewijs bij zich te dragen. Dit gold voor joden en niet-joden met dit verschil, dat als de persoon jood was zijn of haar persoonsbewijs voorzien was van een fors stempel met de letter J.


Sophie Toncman probeerde dit gevreesde stempel uit haar persoonsbewijs te verwijderen maar dit liep op een mislukking uit en wel zodanig dat bij controle het gehele persoonsbewijs ongeldig zou worden beschouwd. Er bleef daarom niets anders over dan onder het voorwendsel dat het oude verloren was geraakt, een nieuw persoonsbewijs aan te vragen. Nog op 30 maart 1944 kreeg zij door de gemeente Oss een nieuw persoonsbewijs uitgereikt.
Maar door verfoeilijke ambtelijke plichtsbetrachting werd dit persoonsbewijs opnieuw voorzien van een vet gestempelde letter J. Het zou een kleine moeite geweest zijn dit stempel weg te laten.



De oude mevrouw Toncman was al vele jaren bedlegerig. Naar menselijke maatstaven gemeten kwam zij in aanmerking om opgenomen te worden in een verpleeghuis, maar keer op keer werd dit afgewezen en kwam zij daarvoor niet in aanmerking, enkel en alleen door het stigma een letter J in haar persoonsbewijs te hebben. Geen enkel tehuis, inrichting, noch een klooster was bereid om haar ter verpleging op te nemen. Men wilde geen enkel risico lopen.


Het huis in de Monsterstraat

De oude mensen, vooral die in de Monsterstraat vroegen veel aandacht. Er moest worden gezorgd voor voedsel, kleding en medicijnen. Vooral in een tijd waarin vele zaken niet vrij verkrijgbaar waren maar bonkaarten moesten worden overlegd, was dit veelal een groot probleem. Er kwam zeer spaarzaam enige hulp van buiten. In dit verband werden de namen genoemd van dokter Wassman en zuster Hermans van het Groene Kruis. Een gelukkige bijkomstigheid was dat de oude Isaac Elsbach niet onbemiddeld was en uit zijn privévermogen sommige noodzakelijke behoeften konden worden gefinancierd. Hij was als voormalig eigenaar van het gelijknamige chemische bedrijf redelijk welvarend en toen hij blind was geworden, had hij het grote huis in de Monsterstraat gekocht, gelegen tegenover de synagoge in de Koornstraat. Hierdoor kon hij ondanks het gemis van zijn gezichtsvermogen toch probleemloos 's morgens zijn weg naar sjoel vinden.


Wonderwel kon Bertha Zilverberg in haar ouderlijk huis blijven wonen. Ook deze `jodenwoning' was na het vertrek van de familie Zilverberg door de Duitsers onteigend en er waren nieuwe bewoners ingetrokken. Maar Bertha Zilverberg kon, tegen vergoeding, in haar ouderlijk huis nog slechts een kamertje blijven huren.
Letterlijk gevangen in eigen huis was de familie Hugo Hes. Zij konden en mochten onder geen omstandigheid het huis verlaten. Er waren maar incidentele contacten met de buitenwereld. Het is nauwelijks voorstelbaar dat dit gezin met zoveel kinderen zolang in een nagenoeg volledig isolement heeft geleefd. Er waren slechts wat schaarse ontmoetingen met de vier jonge vrouwen, die af en toe de familie Hes bezochten. Vooral mevrouw Hes was niet opgewassen tegen dit isolement en de vele problemen. Zij verviel in een lethargie en defaitisme, gepaard gaande met een religieus geïnspireerde noodlot-filosofie. Deze gemoedstoestand maakte alles nog veel gecompliceerder dan het al was.
Een aanbod om enkele van de kinderen onder te brengen op een veiliger plaats door hen een onderduikadres te bezorgen werd door Hugo Hes en zijn vrouw afgewezen. Zij waren bang dat hun kinderen, als zij langere tijd door anderen werden verzorgd en opgevoed, zouden vervreemden van het jodendom en verloren zouden gaan. Hierdoor hebben zij geen andere beslissing kunnen nemen.
Er was een kleine kring van winkeliers waar men terecht kon voor levensmiddelen, al dan niet met bonnen, voor kolen zeep e.d. Bij een van de leveranciers waar de verzorgsters wekelijks op een vaste tijd levensmiddelen kwamen halen werden zij, zonder dat zij dit wisten, vanuit een nabijgelegen huis telkens met belangstelling geobserveerd. In dit huis was een joods echtpaar ondergedoken en van week tot week konden zij telkens tot hun geruststelling vaststellen: "ze zijn er nog". Maar lang voordat de oorlog was afgelopen was ook dit echtpaar verdwenen.


Gedurende de gehele tijd van hun verlengde verblijf in Oss hebben de meeste joden geprobeerd te leven op een wijze zoals traditie en spijswetten voorschreven. Dit betekende dat men geen vlees kon eten en tal van andere zaken die niet geoorloofd waren. Vanzelfsprekend was het hierdoor extra moeilijk om aan levensmiddelen te komen. Noodgedwongen werd er daarom later, weliswaar aarzelend en indien verkrijgbaar, toch kaas gegeten. Maar ook de joodse feestdagen en de sjabbat werden, voor zover de omstandigheden dit toelieten, in ere gehouden. Op een van deze joodse feestdagen, waarop een werkverbod gold, bracht een verzorgster uit huize Elsbach een bezoek aan Sophie Toncman in de Kruisstraat. Uitgerekend op die dag deed zij, zich nergens van bewust, de wekelijkse was. En daarom was het wel even schrikken toen zij werd gewezen op deze ernstige inbreuk op de godsdienst. Vooral omdat dit in het vrome gezin Toncman als onvoorstelbaar werd beschouwd. Maar Sophie Toncman was zich van geen kwaad bewust doordat zij, in haar isolement, niet meer op de hoogte was van de dagen waarop de joodse feestdagen zich aandienden. De joodse kalender vertoont immers geen synchroniciteit met de normale kalender. Alleen in huize Elsbach, waar een grotere groep mensen aanwezig was, werden de feestdagen angstvallig bijgehouden.


Achtergebleven
Dagen, weken, maanden verstreken en er gebeurde niets. Maar toch was de positie van de achtergebleven joden uiterst riskant en kwetsbaar, want in tegenstelling tot degenen die waren ondergedoken, kenden de Duitse bezetter en zijn Nederlandse handlangers de verblijfplaats van deze mensen en was er de nimmer afwezige dreiging om alsnog opgehaald te worden. De echte onderduikers konden zich, zolang zij niet het slachtoffer werden van verraad, nog redelijk veilig wanen. Maar dit gold zeker niet voor de legale rest van de Osse joden. Onderduikers konden zich anoniem schuilhouden en werden verborgen door personen die hen trachtten te beschermen. De overgebleven

Osse joden daarentegen waren overgeleverd aan de willekeur van zowel de omgeving als de Duitse bezetter. Serieuze pogingen om de resterende Osse joden alsnog een betrouwbare onderduikplaats te bezorgen, zijn er voor zover bekend, niet geweest. Goede raadgevingen waren er wel. Heeft de katholieke geestelijkheid van de tegenover het huis van Elsbach gelegen Grote Kerk zich weleens iets aangetrokken van het lot van deze mensen? Maar de meest cruciale vraag moet onbeantwoord blijven: Waarom heeft men deze mensen zolang met rust gelaten?


De oude Oppenheimer was al langdurig ziek. Oorspronkelijk had hij een bescheiden nering als borstelmaker en een kleine winkel in speelgoed e.d. Maar al voor de oorlog  hij leed aan tuberculose  was hij door zijn ziekte al vele jaren bedlegerig. In de zomer van 1943 verergerde zijn kwaal zodanig dat opname in het ziekenhuis dringend gewenst was. Hij werd overgebracht naar een ziekenhuis in Veghel, alwaar hij op 27 januari 1944 overleed.19) Nadat hij in juli 1943 in het ziekenhuis was opgenomen achtte Roosje Hes zich van haar taak ontslagen en deed het meest verstandige wat zij in de gegeven omstandigheid kon doen. Zij zocht een plaats om onder te duiken. Tot aan het einde van de oorlog verbleef zij op verschillende onderduikadressen in de omgeving van Oss. Af en toe bezocht zij in het diepste geheim haar oom Huub (Hugo Hes) in Oss, die haar soms wat geld toestopte om haar onderduik te financieren. Ondanks de grote problemen waarmee hij zelf werd geconfronteerd droeg Hugo Hes toch bij om het leven van zijn lotgenoten zo draaglijk mogelijk te maken. Af en toe deponeerde hij, weliswaar anoniem, een enveloppe met bankbiljetten in de brievenbus van de arme weduwe Toncman in de Kruisstraat, die het niet breed had. Samen met haar dochter moest zij bestaan van een klein pensioen en de spaarcenten van een van de jongens Toncman. Hij had bij zijn vertrek uit Oss erop aangedrongen dat dit bedrag hiervoor kon worden aangesproken. Toen de oorlog was afgelopen was er nog slechts dertig gulden over.


Vier jaar anti-joodse propaganda hadden ook een deel van de Osse bevolking geïnfecteerd. Steeds vaker waren er vervelende opmerkingen, op straat, op het postkantoor, op het distributiekantoor, steeds meer beledigingen. Het werd voor sommigen steeds moeilijker om het huis te verlaten.
Vele maanden verstreken zonder opzienbarende gebeurtenissen. Was er sprake van enig mededogen met de oude en zieke mensen in Oss en werden zij daarom ontzien? Zeer onwaarschijnlijk! Overal elders waren oudere mensen, ongeacht of ze gezond of ziek waren weggesleept. In Amsterdam werd op 13 augustus 1943 het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis gevorderd. De patiënten en het grootste deel van het personeel werd naar Westerbork gebracht. Het Centraal Israëlitisch Ziekenhuis aan de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam werd op 19 oktober 1943 voor gesloten verklaard. En op 14 maart 1944 werden de laatste 70 zieken uit de Joodsche Invalide naar Westerbork gebracht.20) Een dag eerder had zich in Eindhoven een dramatische gebeurtenis voorgedaan.21) Tegen de avond van de 13e maart 1944, bij het vallen van de duisternis, waren er enkele vrachtwagens het terrein van het Rijkskrankzinnigengesticht aan de Boschdijk opgereden. De Sicherheitsdienst kwam de joodse patiënten ophalen. Na enige schermutselingen met de geneesheerdirecteur vertrokken later op die avond deze vrachtwagens met hun lading van weerloze mensen naar Westerbork. De oorzaak voor deze overval was gelegen in het feit dat een Amsterdamse NSB-wethouder niet langer bereid was om een bijdrage uit de gemeentekas te betalen voor de verpleging van enige joodse patiënten die uit die stad afkomstig waren. Op deze avond van de 13e maart 1944 werden 24 joodse verpleegden uit de Eindhovense
inrichting weggesleept.
Slechts een van hen wist later te ontkomen. De anderen werden na aankomst in Auschwitz vergast.

De Duitse bezetter stelde alles in het werk om de laatste joden uit de provincie Noord-Brabant te verwijderen. Op 15 november 1943 werd het kamp Vught (het joodse gedeelte) nagenoeg geheel ontruimd. Op die dag vertrok er een trein, bestaande uit een aantal goederenwagons waarin 1044 joden waren opgesloten, rechtstreeks van Vught naar Polen. Er bleven enkele honderden mannen en vrouwen achter, die tot de zg. Philipsgroep behoorden. Deze groep kon ten dele tot 20 maart 1944 en ten dele tot 2 juni 1944 in Vught blijven. Daarna werden zij eveneens weggevoerd.22)


Laatste bedrijf
Maar in de zomer van 1944 waren er nog steeds ongeveer 25 joden in Oss aanwezig. Waarom werden zij zolang met rust gelaten? Heeft hierbij een rol gespeeld dat gedurende een periode van een jaar er in Oss geen burgemeester aanwezig was en er daardoor geen hoogste autoriteit die voor de Duitsers aanspreekbaar was? Waren er bureaucratische obstakels of werd er gesaboteerd? Het Derde Rijk begon tekenen van een naderende ondergang te vertonen. De opmars van de Geallieerden leek onstuitbaar. Het zou nog maar een kwestie van weken zijn voordat de oorlog afgelopen was. En ongetwijfeld hebben de mensen in Oss hieruit enige moed kunnen putten en hebben zij gehoopt en gebeden, dat spoedig een einde zou komen aan hun benarde situatie.
De kaartenbakken op de Zentralstelle für jüdische Auswanderung te Amsterdam werden steeds leger. Langzaam maar zeker werden alle categorieën die enig uitstel hadden gekregen gedeporteerd. In juli 1944 begonnen de Duitsers voorbereidingen te treffen om een aantal joden die min of meer legaal waren achtergebleven op te halen. Hieronder waren zij, die door een doktersattest tot dan toe ongemoeid waren gelaten. Waarschijnlijk betrof het enkele tientallen personen. Zij hadden op het adres waar zij verpleegd werden kunnen blijven maar werden meestal wel regelmatig door de plaatselijke politie gecontroleerd of zij nog werkelijk op het opgegeven adres aanwezig waren. Administratief werden deze zieken, waarvoor in de periode april 1942 tot juli 1944 medische verklaringen waren afgegeven, door de Zentralstelle op 24 juli 1944 `Karteimlissig erfasst', (volgens het kaartsysteem verwerkt).23) Zijn de laatste Osse joden, twee weken later, eveneens het slachtoffer geworden van deze administratieve operatie?


Een dag in augustus
Op vrijdag 4 augustus 1944 kwam aan deze illusie een einde.24) In de vroege morgen, omstreeks 7 uur, drongen de Duitsers het huis van een van de verzorgsters binnen. Zij werd gevangen genomen en overgebracht naar Amsterdam. Bijna gelijktijdig werd het huis van Isaac Elsbach omsingeld en binnenvallen. Alle bewoners werden gevangen genomen en met onbekende bestemming weggevoerd. Nog dezelfde morgen werd eveneens het gezin Hes uit hun huis op de Heuvel weggehaald. Na enige tijd werden allen overgebracht naar Westerbork. Er bestond in Oss geen `jodenprobleem' meer.

Slechts door een samenloop van omstandigheden werden moeder en dochter Toncman achtergelaten. De Duitsers kwamen te laat tot de ontdekking dat zij het huis in de Kruisstraat hadden overgeslagen en besloten op die dag niet terug te keren.

Een van de twee verzorgsters uit huize Elsbach had, volgens Duitse begrippen een zg. 'Arisch uiterlijk' door haar blauwe ogen en blonde haar. Haar verschijning, volkomen strijdig met het op vooroordelen berustende stereotype joodse uiterlijk uit de propaganda, heeft wellicht enige verwarring bij de Duitsers veroorzaakt. Op het hoofdbureau van de Amsterdams Gestapo werden pogingen ondernomen om deze `blonde Holllinderin' te rekruteren voor de voortgezette jacht op joden. Maar onverschrokken heeft zij, ondanks velerlei dreigementen, elke medewerking geweigerd. Ze belandde voor enige tijd in een cel van het Huis van Bewaring aan het Wetering plantsoen. En daarna kwam ook zij in Westerbork terecht.


En ondanks dat de Duitsers er slecht voorstonden en een militaire nederlaag ophanden leek, werd de jacht op ondergedoken joden onverminderd voortgezet. In de laatste fase van de oorlog werd de premie op het aangeven van joden aanzienlijk opgetrokken van voorheen f 7,50 tot f 40, per persoon. En wie weet welke invloed dit gehad heeft op de arrestatie van de achtergebleven joden in Oss? Indien de Duitsers deze laatste groep waren vergeten of misschien wilden vergeten, zijn zij door dit verraad nogmaals op de aanwezigheid van deze groep attent gemaakt. En zelfs aan de vooravond van de bevrijding in september 1944 dreigde er nog verraad. Een van de buurtbewoners zou de Duitsers nogmaals gewezen hebben op de verblijfplaats van Sophia Toncman en haar moeder.
Op 17 september, 's avonds om 8 uur, vlak voor spertijd, kwam een Duitse legermacht de Kruisstraat inrijden. "Wo ist die Jüdin?" hadden de soldaten op de hoek van de straat aan een argeloze voorbijganger gevraagd.
Zwaar bewapende soldaten stormden het huis van Toncman binnen. Zij troffen daar alleen mevrouw Toncman aan die in bed lag. Sophie was even weg geweest en keerde op dat ogenblik terug naar huis. Bij het zien van zoveel Duitse soldaten zette zij het op een lopen, de straat uit, verder gehold. Daarna achterop een fiets gesprongen van een jongen die zij kende en opnieuw verder gerend. Tot aan het huis van dat echtpaar waar zij die nacht kon blijven. De volgende morgen achterop de fiets naar een ander adres, op de heide aan de rand van de stad. Daarna opnieuw een onrustige nacht. Wat zou er met moeder gebeurd zijn? En dan opeens de volgende morgen. Dat rumoer, die vrolijkheid, twee jongens op versierde fietsen. Oss was bevrijd!
Toen mevrouw Toncman op de morgen na de inval, door de wijkverpleegster die haar dagelijks bezocht, alleen werd aangetroffen werd zij alsnog opgenomen in het ziekenhuis.

Laatste trein
Op 3 september 1944 vertrok vanuit Westerbork de laatste trein naar Auschwitz. Onder de 1019 joden die met dit transport Westerbork verlieten bevonden zich 19 joden uit Oss. De jongste onder hen was Samuel Hes, geboren op 31 augustus 1942, dus drie dagen na de eerste deportatie, toen de vervolging van de joden in Oss al begonnen was. Nog in Westerbork, enige dagen eerder was hij twee jaar geworden. De oudste van de Osse joden was de blinde Isaac Elsbach, 80 jaar oud. De kleine Samuel Hes heeft nooit kunnen begrijpen in welke wereld hij geboren werd. De verschrikkingen rondom hem te moeten aanschouwen bleven de oude Elsbach bespaard. Op de dag dat Oss werd bevrijd zullen de meesten niet meer in leven zijn geweest.
Achteraf werd ook administratief het Osse Joden-probleem' opgelost. Er werd een lijst opgesteld: "Volgende personen uit Oss zijn op 3 september 1944 via Lager Westerbork naar het buitenland vertrokken".25) 'Vertrokken' staat er. Maar ze zijn niet vertrokken, ze zijn ruw weggesleept, met geweld hun huizen uit gesleurd. Na 15 eindeloze maanden tussen hoop en vrees geleefd te hebben, wilden ze niet uit Oss vertrekken. Van de 19 personen op genoemde lijst keerde er slechts één terug.


Rosien Fresco werd in Auschwitz vermoord. De andere drie jonge vrouwen overleefden de oorlog. Sophie Toncman is eigenlijk nauwelijks weggeweest. Roosje Hes kwam na haar onderduikperiode in Oss terug. Bertha Zilverberg ontsnapte vele malen aan de dood en overleefde de verschrikkingen en onmenselijkheid van Auschwitz.
Doordat deze vrouwen, vijftig jaar later, bereid waren te vertellen, kon dit tot op heden vergeten en verzwegen hoofdstuk uit de geschiedenis van Oss worden geschreven.26)

DANKWOORD
De dames R. Hes, S. Toncman en B. de Vries-Zilverberg voor de waardevolle informatie welke zij ter beschikking heb-ben gesteld.
Archieven van de Gemeente Oss, het Streekgewest en het Riod voor nadere inlichtingen.  Oss, 4 mei 1993


De bronnen voor het boek "Opdat zij niet vergeten worden":
Notities, bronnen en literatuur
1) Oss Actueel, april 1985 p.12. (n.a.v. de tentoonstelling: Het Maasland in de Oorlog.) Uitgave van de gemeente Oss.

2) Dr. L. de Jong. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 1. Voorspel. p.595-597. 's-Gravenhage 1969.

3) G.A. Oss. Dossier maatregelen tegen de joden.
4) Op 29 juni 1942 ontving de gemeente Oss een schrijven van de Commissaris der provincie Noord-Brabant aan de 'Heeren Burgemeesters der gemeenten in Noord-Brabant', gedateerd Den Bosch, 26 juni, ken merk A.Nr.571 'Kabinet', waarin gevraagd werd om een opgave van alle in de gemeente woonachtige joden, ongeacht de nationaliteit. Deze lijst, die in 5-voud alfabetisch en in de Duitse taal opgesteld dient te worden, moet gedetailleerde gegevens verstrekken omtrent gezinssamenstelling , beroep, geboortedatum, geboorteplaats, burgerlijke staat, het juiste adres enz. En tevens moet op deze lijst aangetekend worden wanneer de man jood en de vrouw arisch is e.d. De lijsten moeten uiterlijk op 15 juli ingezonden worden aan de Zentralstelle für jüdische Aus wanderung te Amsterdam. Heeft de opdracht van commissaris van Rijckevorsel argwaan gewekt omtrent de bedoelingen van de Duitse bezetter? In het gunstigste geval kon men 'Auswanderung' vertalen in emigratie. In dit geval zou er dan een gedwongen emigratie op handen
zijn, ofwel de deportatie van een bevolkingsgroep. Toch hebben alle gemeenten prompt en zonder aarzelen de gevraagde lijsten opgemaakt. De gemeente Oss ging erg voortvarend te werk. Het hoofd van de Afdeling Bt.Om. ten gemeentehuizen vroeg schriftelijk aan de Chef der Ie Afdeeling ter secretarie om al op 1 juli over een opgave van in de gemeente woonachtige joden te kunnen beschikken en daarom was de brief voorzien van de aantekening `spoed!'. De lijst van de in de gemeente Oss op 30 juni woonachtige joden had een lengte van 364 personen. Tot dit getal was men gekomen door de Duitse 'definities' voor joden te hanteren alsmede de criteria voor de gerequireerde opgave. De lijst vermeldde 40 statenloze joden, voornamelijk hen die voorheen de Duitse nationaliteit bezaten.
5) Dr. Marius Tausk. Organon. De geschiedenis van een bijzondere Nederlandse onderneming. 1978 Nijmegen. p.229. Op 12 augustus 1941 kon de Duitse Verwalter aan 12 instanties melden dat Zwanenberg's Fabrieken en Zwanenberg's Conservenfabrieken 'vanaf vandaag joden-vrij zijn'. (p.229) Al eerder was er op de ingang van het kantoor een bord aangebracht met de tekst: ',Juden und Judenknechten ist der Zutritt zur Fabrik verboten'. (p.208-209). Het grootste deel van de joodse werknemers van de NV. Organon werd per 31 december 1941 ontslagen. Enkele hogere functionarissen werden vanwege hun jood-zijn op 28 februari 1942 uit hun functies ontheven.

6) Privé-archief. Nagelaten notities Henri Samuel, p.3, Teteringen. (aprilmei 1943) Henri Samuel was voorzitter van de Joodsche Raad afd. Breda.

7) Al enige weken eerder waren enkele individuele personen weggevoerd. Tot de eerste uit Oss afkomstige personen die werden gedeporteerd moeten gerekend worden: Alexander Hes en Laszlo Ehrenthal. Alex Hes studeerde in Utrecht totdat in de zomer van 1941 de deuren van de Rijksuniversiteit voor hem werden gesloten. De 22-jarige Laszlo Ehrenthal, de Hongaarse pleegzoon van Organon-employé Karoly David, had zich overgegeven aan het katholicisme en liep derhalve al na 2 augustus 1942 het risico gearresteerd te worden. Maar de Duitsers kregen hem pas op 17 september 1942 te pakken. Hij werd eerst opgesloten in het Huis van Bewaring in Den Bosch en de volgende dag overgebracht' naar Westerbork. Drie dagen later, op 21 september, ging hij op transport naar Auschwitz.
8) Massamoord in koelen bloede. Brabants Dagblad 29 september 1984.

9) De Jong. a.w. Deel 6 eerste helft. p.35.

10) Notities Samuel. p.8.
11) Sam de Wolff. Geschiedenis der Joden in Nederland. Laatste bedrijf. p.53-76 Amsterdam 1946.
12) Notities Samuel. p.10.
13) Deze verordening verscheen in de Brabantse dagbladen o.a. in het Dagblad van Noord-Brabant van 30 maart 1943. Deze verordening, met zijn alarmerende inhoud, moet voor de laatste joden in Brabant een waarschuwing geweest zijn dat er nog maar weinig tijd restte om te vluchten of onder te duiken. Maar ook voor de niet-joodse lezers moet deze publicatie een betekenis gehad hebben: dit was de laatste kans om een helpende hand uit te steken naar hun joodse medeburgers en stadsgenoten. Maar het heeft velen onberoerd gelaten.

14) Brief d.d. 5 april 1943. Kenmerk AG.No.437. Betreffende: verwijdering van Joden uit de provincies.

15) Oorspronkelijk gezegde: "Wos kenn an esseg souer wern". (jidd.) lett.: "wat kan aan azijn nog zuur worden". Betekenis: "Daaraan valt niets te bederven". (zie Hartog Beem: Jerosche p.68. 1970. Assen.

16) Vele jaren na de oorlog werd in een Osse nieuwbouwwijk, in de verzetsliedenbuurt, een straat naar Jacob Goldsmid genoemd. Maar een verzetstrijder 'avant la lettre' is Jacob Goldsmid niet geweest. Hij heeft nooit wapens gedragen. Zijn wapens waren van geestelijke aard. En hiermede heeft hij zich onmetelijk verdienstelijk gemaakt voor zijn gemeenschap.
Verboden: stadspark, sportverenigingen en markten

17) Naast deze officieel geregistreerde personen verbleven op dat ogenblik nog een aantal personen die tot een speciale categorie gerekend konden worden. Op de eerste plaats waren er nog de leden van de Joodse Raad. Maar hun taak werd spoedig als geëindigd beschouwd en daarom waren ook hun dagen in Oss geteld. Hiertoe behoorde G. Hes, Hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad afdeling Oss met zijn gezin en dokter Danby, die een adviserende functie bij de Joodse Raad had. Verder was nog aanwezig D.N. Hes, voorzitter van de Nederlandsch Israelitische Gemeente Oss. Hij was als huidenhandelaar om wirtschaftliche' redenen gesperrt. Uitstel, maar geen afstel, kregen enkele joodse wetenschappers, werkzaam bij de farmaceutische onderneming Organon in Oss. Hun werkzaamheden werden als onmisbaar beschouwd en daardoor kwamen zij in aanmerking voor het predicaat `Rüstungsjuden'. Dit gold met name voor de chemicus dr. Salomon Kober en prof. Goldschmidt. Voor enkele anderen (Dr. Arnold Salomon, Dr. Eduard Boasson) gold als bijkomende omstandigheid een gemengd huwelijk. Kwetsbaar was de positie van Karoly David. Conform de Duitse rassenwetten werd hij als zg. vol-jood beschouwd. En daarom werd het raadzaam, maar vooral veiliger geacht om hem en zijn gezin in augustus 1943 terug te laten keren naar hun geboorteland Hongarije. Karoly Gyula David stierf in het concentratiekamp Mauthausen in april 1945. (Tausk a.w. p.88). Ondanks de grote betekenis van zijn wetenschappelijk werk werd Salomon Kober toch gedeporteerd. In november 1943 stapten hij, zijn vrouw en drie kinderen in Oss op de trein. Ze hadden warme kleren aan "want in Polen kon het koud zijn". Hij stuurde nog een laatste levensteken naar zijn collega's en medewerkers in Oss, een briefkaartje verstuurd vanuit barak 67 in Westerbork, postadres Hooghalen. Na Westerbork kwam hij in het Theresienstadt terecht. Hij stierf na 28 september 1944 ergens in Oost Europa. (Tausk a.w. p.119-120). De lotgevallen van de gemengdgehuwden staan in schril contrast met die van de andere Osse joden. In het algemeen slaagden zij erin om, ondanks vele problemen en moeilijkheden en soms een korter of langer verblijf in het werkkamp Havelte, tot het einde van de oorlog in Oss te blijven.

18) G.A. Oss. Verspreide documenten.

19) Na het overlijden van Oppenheimer in januari 1944 was het onmogelijk om hem een joodse begrafenis te geven. Na de oorlog werd hij herbegraven op de joodse begraafplaats van Oss.

20) Mr. Abel J. Herzberg. Kroniek der Jodenvervolging. p.117-118.

21)R.I.O.D. Doc. afd. II nr. 361.

22) Dr. J. Presser. Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. Deel II. p.415.

23) R.I.O.D. Archief HSSPF VII. nr. 237c.

24) Op dezelfde dag werd uit het achterhuis van een pand op de Prinsengracht in Amsterdam een aantal joden opgehaald. Een van hen was een meisje, een jonge vrouw, die gedurende de twee lange jaren van onderduiken een dagboek had bijgehouden. Haar naam was Anne Frank

25) G.A. Oss. Lijst: "Volgende personen uit Oss zijn op 3 september 1944 via Lager Westerbork naar het buitenland vertrokken".

26) Het initiatief tot het beschrijven van deze bewogen episode uit de geschiedenis van de Osse joodse gemeenschap is afkomstig van Drs. G. Hes te Oss. Gedurende een groot aantal gesprekken in de periode december 1991 tot april 1993 konden veel gebeurtenissen, na aanvullend archiefonderzoek, worden gereconstrueerd. Mede daardoor kan over enige tijd een uitvoerige geschiedschrijving over de Osse joodse gemeenschap verschijnen. Maar vooral de gebeurtenissen uit de oorlogsjaren eisten de aandacht op. Van grote betekenis waren de gesprekken met de dames Sophie Toncman, Rosina Hes en Bertha Zilverberg, thans allen elders woonachtig. Zonder hun medewerking, hun herinneringen en ervaringen, was het niet mogelijk geweest dit verhaal te schrijven.



Naschrift:
Een aantal joodse inwoners van Oss overleefde door onder te duiken en zestal de concentratiekampen (Bron: Oss van voor 1930 tot na 1980 van drs gerard H.J. Ulijn. Volgens dezelfde publicatie, p.26 zijn tussen augustus 1942 en augustus 1944 werden  uit Oss 252 joden weggevoerd. Gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog zijn meer dan 300 Ossenaren (252 Joodse en 48 anderen) om het leven gekomen.


Lijst van joodse Nederlanders teruggevonden in het bevrijde gebied

Op de "lijst van joodse Nederlanders teruggevonden in het bevrijde gebied" staan zo'n 16 personen: M. zwanenberg en echtgenote, Guus Hes en Eva Hes Gosschalk, Sam Colthof met vrouw en kinderen, Izak Zilverberg met vrouw en dochter, Mevrouw O. Frank met zoontje, Dr. Danby en Herm Epstein en vrouw.

Bron http://kranten.kb.nl in Amigoe di Curacao : weekblad voor de Curacaosche eilanden, 17-11-1944 

Oorlogsmonument
Herdachte groepen: Vervolgden Nederland
Ontwerper: Frans van der Burgt
Onthulling: 4 mei 1960
Het oorlogsmonument in Oss is een bronzen beeld van een mannen- en een vrouwenfiguur. Het beeld is geplaatst op een voetstuk. Het monument is 2 meter 60 hoog. Het voetstuk is 90 centimeter hoog, 1 meter 50 breed en 1 meter diep.

Teksten
De tekst op de voorkant van het voetstuk luidt:

'OPDAT WIJ NIET VERGETEN'.

De tekst op de achterkant van het voetstuk luidt:

'TENGEVOLGE VAN OORLOG EN BEZETTING
ZIJN IN DE JAREN 1940 - 1945
MEER DAN 300 MEDEBURGERS
OM HET LEVEN GEKOMEN'.

Symboliek
Het beeld staat symbool voor de vele joodse inwoners van Oss die in de Tweede Wereldoorlog door de bezetter zijn gedeporteerd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen